Vervolgers worden volgeling

23-05-2016467 x geraakt
Suta's vervolgers kwamen tot geloof
“Waarom ben je naar ons dorp gekomen om over Jezus te vertellen?”, schreeuwen de mannen. “Dit is een hindoedorp en we willen geen christen worden. We willen je niet meer zien!” Suta draait zich teleurgesteld om en loopt de elf kilometer terug naar zijn eigen dorp.

Thuisgekomen denkt Suta na over de gebeurtenissen van die dag. Heeft hij Gods stem niet goed verstaan? Of zou God willen dat hij nog een keer naar dat dorp gaat? Suta realiseert zich dat hij te snel heeft opgegeven. Hij raapt zijn moed bij elkaar en loopt opnieuw naar het dorp verderop om het Evangelie te delen met de dorpsbewoners.

“We hebben hem gewaarschuwd dat hij niet terug mocht komen. Hij heeft het toch gedaan!”


Het duurt niet lang of dezelfde mannen die hem de vorige keer het dorp uitjoegen, staan weer voor zijn neus. Ze beginnen Suta te slaan. Als enkele dorpsbewoners vragen waarom ze dat doen, roepen ze: “We hebben hem gewaarschuwd dat hij niet terug mocht komen. Hij heeft het toch gedaan!” De hindoe-extremisten gaan maar door met het mishandelen van Suta. Dan slepen ze zijn bebloede lichaam mee en gooien hem in een drie meter diepe kuil. Tevreden gaan ze terug naar hun huizen; van die evangelist zullen ze geen last meer hebben.

Een van de extremisten die Suta heeft mishandeld, is Raji. Het gebeuren zit Raji niet lekker en tijdens de avondmaaltijd krijgt hij geen hap door zijn keel. “Waarom eet je niets?” vraagt zijn vrouw. “Ik heb een onschuldige man mishandeld”, zegt Raji, “We hebben hem geslagen en in een kuil gegooid. Ik heb me nog nooit zo schuldig gevoeld.” Raji’s vrouw begint zich zorgen te maken en vreest dat de God van Suta wraak op hen wil nemen. Ze moedigt Raji aan om Suta uit de kuil te halen.

“Kan jouw God dan ook iets doen voor mijn schoonzus die al zes maanden ziek is?"


Die nacht gaat Raji op weg. Hij vindt Suta, die nog steeds zwaargewond in de kuil ligt, haalt hem eruit en draagt hem op zijn rug naar huis. Raji’s vrouw verzorgt Suta: ze wast het bloed van zijn gezicht en lichaam en geeft hem voedsel en medicijnen.

De volgende morgen vragen ze aan Suta waarom hij toch naar hun dorp is gekomen. “Ik ben gekomen om jullie over Jezus Christus te vertellen”, zegt Suta. “De Jezus Christus die zieken geneest en de armen helpt.” “Iemand die zieken geneest?” vraagt Raji’s vrouw, “Kan jouw God dan ook iets doen voor mijn schoonzus die al zes maanden ziek is?" "Ja, ik zal voor haar bidden", antwoordt Suta, “Maar eerst vertel ik jullie het Evangelie. Jezus zal Zijn werk doen. Ik ben maar een eenvoudige man, ik ben hier alleen om te bidden in de Naam van Jezus.” Twee dagen na het gebed is de zus genezen van haar ziekte.

Het nieuws gaat als een lopend vuurtje door het dorp. De mannen die Suta hebben aangevallen en mishandeld, komen naar Raji’s huis om hem om vergeving te vragen. “We hebben het verkeerd gedaan”, zeggen ze. “Je hebt over de ware God gepredikt, maar wij dachten dat het een vreemde God was. Vergeef ons alsjeblieft.”

Raji’s familie en de mannen die Suta hebben aangevallen, worden christen. Veertig mensen komen die dag tot geloof in Jezus Christus en stichten samen een nieuwe gemeente in het dorp. Nu preekt Suta elke zondagochtend eerst in de kerk in zijn eigen dorp, daarna loopt hij elf kilometer naar het andere dorp om daar voor te gaan in de nieuwe kerk.  

Suta vraagt om gebed aan christenen wereldwijd. "Door gebed kan ik meer werk doen in deze omgeving en worden we gesterkt in ons geloof. Bid alstublieft dat God ons beschermt als er meer vervolging komt en dat we meer dorpen kunnen bereiken om er over Jezus te vertellen. Zonder uw gebeden zijn we nergens.”

Abbonneer uw gratis voor ons magazine STEM
Terug naar overzicht
467 keer geraakt