De vroege kerk: blijven of vluchten?

16-07-2020
Wat zou jij doen bij hevige vervolging? Blijven of vluchten?
Een korte maar heftige vervolging van christenen vond plaats onder Decius, keizer van het Romeinse Rijk van 249-251 na Chr. Om de ‘vrede van de goden’ te verkrijgen voor het welzijn van Rome, werd iedereen geacht in een openbare ceremonie een offer aan de goden te brengen. Wie dat deed kreeg een certificaat met daarop hun naam en die van de toezichthoudende ambtenaar.  

Christenen deden hier doorgaans niet aan mee. Bisschop Cyprianus van Carthago (het huidige Tunesië) moest vluchten maar bleef door een uitgebreide briefwisseling leidinggeven aan zijn kerk. We bezitten nog 82 brieven en die zijn zeer de moeite van het lezen waard want ze geven een goede indruk van het kerkelijk leven in die tijd van verdrukking.  

Heilig avondmaal in de gevangenis



Veel christenen belandden in de gevangenis van Carthago. Cyprianus schreef zijn priesters en diakenen dat ze die trouwe gelovigen in het gevang van eten en drinken moesten voorzien. Hij stelde geld beschikbaar om die hulp te bieden.  

De priesters en diakenen moesten ook het heilig avondmaal met die gevangenen vieren. Cyprianus schreef dat er steeds andere priesters naar de gevangenis moesten gaan en niet te veel tegelijk. Dat zou maar negatieve reacties kunnen oproepen. Voorzichtigheid was geboden.  

"We moeten bidden dat vrede snel wordt hersteld"


Brieven vol bemoediging



Cyprianus schreef ook brieven aan de gevangenen zelf, ter bemoediging. Ze moesten het oog gericht houden op de hemelse heerlijkheid die hen te wachten stond.  

Intussen ging ook de armenzorg in de stad gewoon door. Cyprianus bond de priesters en diakenen op het hart om goed te zorgen voor weduwen, zieken, armen en vreemdelingen. Cyprianus zorgde steeds dat ze daar de nodigen fondsen voor kregen.

Uit de vele brieven van Cyprianus zien we dat de verdrukkingen snel in hevigheid toenamen. Hij schrijft over de hardste ondervragingen, martelingen, kwellingen, en hij noemt het de ‘hardste slachtpartij’. Hij roept de gevangenen op tot dapperheid omdat ze spoedig de overwinningskroon zullen dragen.  

“We moeten bidden”



Te midden van de verdrukkingen wijst Cyprianus de gelovigen in Carthago op de noodzaak een goed christelijk leven te lijden. Een streven naar bezit en winst, tweedracht, en trots zouden de reden zijn dat God de kerk met de verdrukking kastijdde. ‘Het grootste deel van de kudde is verwoest.’ De gelovigen moesten zich bekeren en vooral veel bidden en vasten.  

“We moeten bidden dat vrede snel wordt hersteld, dat spoedig hulp komt op de plaatsen waar we ons verborgen houden, en voor het herstel van de Kerk, de zekerheid van onze redding, heldere lucht na regen, licht na duisternis,een zachte rust na een wilde storm. Dat de blasfemie van de verdrukkers wordt verslagen, de bekering van wie [toch offers brachten] wordt hersteld, en dat het sterke geloof van wie volharden zal worden verheerlijkt.”

Keizer Decius had bij decreet vastgesteld dat de periode van het brengen van offers een jaar zou duren. Na dat jaar werden de commissies die dit moesten regelen ontbonden en het leven kon zijn gewone gang weer nemen. In maart 251 kon Cyprianus naar Carthago terugkeren om daar een vergadering te houden met andere bisschoppen uit Noord-Afrika.

Kritiek



Er bestond wel wat kritiek op Cyprianus dat hij zich buiten de stad schuilhield tijdens de verdrukking. Zelfs uit Rome kreeg hij daarover een brief. Naar zijn eigen zeggen deed hij dit om de kerk te kunnen blijven leiden en hij was bang dat als hij zou worden opgepakt, dit zou zorgen voor meer verdrukking voor alle gelovigen in de stad. ‘Wat ik vrees is dat mijn aanwezigheid een uitbraak van geweld en weerzin onder de heidenen kan veroorzaken.’

De proconsul concludeerde dat Cyprianus moest worden onthoofd. “God zij dank”, was diens conclusie.  


Tegen het eind van 256 begon een nieuwe ronde van vervolgingen, nu onder keizer Valerianus. Cyprianus weigerde afgodenoffers te brengen en werd verbannen naar Curubis aan de oostkust van Tunesië. Hij ging door met zijn kerkleiders in Carthago te leiden en te bemoedigen.  

“God zij dank!”



De druk werd groter en op 13 september in het jaar 258 werd Cyprianus opgepakt genomen door een nieuwe proconsul, Galerius Maximus. Op 14 september werd Cyprianus verhoord door die proconsul. De acta van dat verhoor bezitten we nog, dankzij een keurige Romeinse notulist. De proconsul concludeerde dat Cyprianus moest worden onthoofd. “God zij dank”, was diens conclusie.  
Terug naar overzicht