Peter Paul uit India: “Vervolging is geen toeval”
Geplaatst op 24 april 2012 door SDOK
Peter Paul is een jonge evangelist. Hij woonde met zijn vrouw en twee jonge dochters in een sloppenwijk in Bangalore, het centrum van India’s technologie. Zijn gedrevenheid om het Evangelie te verspreiden, bracht hem in grote moeilijkheden.
Peter was begonnen met een bijscholingsprogramma voor jongeren in zijn wijk, waarin veel moslims wonen. Hij bracht de jongeren niet alleen ‘aardse’ wijsheden bij, maar vertelde hen ook de waarheid over het hemelse Koninkrijk. Hij gaf de jongeren videomateriaal mee, dat vervolgens in de gezinnen werd bekeken. Op een dag besloot Peter twintig jongeren een Nieuwe Testament mee te geven. Blij met hun nieuwe boek lieten zij het aan de koranleraar van de madrassa (koranschool) zien. Dat viel niet in goede aarde. De leiders van de madrassa trommelden een groep van 150 moslims op en begaven zich vervolgens naar Peters huis.
Geen angst
De menigte drong Peters huis binnen en begon hem te slaan, te schoppen en naar buiten te slepen, terwijl ze schreeuwden hem te zullen vermoorden. Nirmala, Peters vrouw, smeekte de mensen om te stoppen en beloofde dat ze uit deze buurt zouden verhuizen. Peter vertelt: “Ik voelde geen angst, ik wist dat God mij kon bevrijden. Daarom kon ik op dat moment tegen mijn vrouw zeggen dat ze zich geen zorgen moest maken. Gods wil zou geschieden in mijn leven.’’ Een aantal aanvallers ging het huis weer in en begon alles kort en klein te slaan. Vervolgens werd Peter naar de school waar hij lesgaf gesleurd. Vanaf die plaats werden de politie en de media gebeld. Toen de politie arriveerde, werd niet de bende opgepakt die Peter had aangevallen, maar werd hijzelf gearresteerd.
‘Uw wil geschiede’
Peter werd beschuldigd van ‘verstoring van de algemene openbare orde’ omdat hij christelijke lectuur aan moslimjongeren had gegeven. Hij werd gevangengezet. In zijn cel dacht Peter na over de verhalen van Paulus en Silas in de gevangenis en aan de engel die Petrus bezocht toen hij gevangenzat. Peter begon te bidden. Maar zijn gebed was geen gebed om vrijlating. Hij bad: “Wat Uw wil ook is voor mijn leven, laat het geschieden.”
Preek
Nadat hij toestemming had gekregen om te spreken, vertelde Peter aan zeventig celgenoten zijn levensverhaal en het Evangelie. Zijn preek ging over het verheerlijken van God. “Waar we ook zijn, we moeten God alle eer geven.”, hield Peter zijn medegevangenen voor. “Of we nu op de proef worden gesteld, in verzoeking vallen of juist mooie dingen beleven, in alle dingen moeten we God verheerlijken.” Verschillende gevangenen werden door de preek aangesproken en wilden met Peter bidden.
Vervolging is een belofte
Peter Paul heeft hulp van buitenaf gekregen om zijn borgsom en een advocaat te betalen. Maar zijn aanklachten lopen nog en er is een grote kans dat hij schuldig wordt bevonden en een gevangenisstraf krijgt opgelegd. Peters aardse bezittingen zijn vernield door de menigte en zijn huurbaas heeft hem en zijn gezin het huis uitgezet. Hij heeft niets meer dan de kleren die hij aanheeft en heeft geen idee wat de toekomst hem zal brengen. Toch vraagt Peter niet om gebed voor zichzelf, maar voor zijn ouders. Hun geloofsvertrouwen is door de arrestatie van hun zoon aan het wankelen gebracht. Peters eigen geloof is echter rotsvast. “Vervolging is geen toeval,” getuigt Peter, “het is een belofte. Iets wat we volgens de Bijbel kunnen verwachten.”